Natuurmonumenten

Natuurmonumenten heeft in 1999 de boomgaard op Fort Voorne aangekocht. Primair doel is het karakteristieke uiterlijk van een hoogstamboomgaard te behouden. Dat werkt het best als de locatie onderhouden, in gebruik en dus levendig blijft.

In dit gebied, dat onderdeel is van de Gelderse Betuwe, hebben altijd veel boomgaarden gestaan. Het gebied staat bekend om de vele fruitboomgaarden. Ook in Zuid-Holland en Limburg komen veel hoogstamboomgaarden voor. Er werden vooral appels, peren, pruimen, walnoten en kastanjes geteeld. Deze soorten zijn door de Romeinen ingevoerd, en bleken prima te kunnen groeien op niet te zware, liefst kalkrijke grond die niet te nat is. In het Gelderse rivierengebied vindt je die bodems op oeverwallen en oude stroomruggen (dit is een oeverwal van een oude rivier, die zijn loop lang geleden heeft verlegd.)

Waarschijnlijk zijn alleen kruisbessen, de zwarte bes, de zoete kers en de sleedoorn inheemse fruitsoorten.

Pas in de late Middeleeuwen verschijnen er berichten over fruitteelt bij boerderijen. In de loop van de eeuwen worden fruitbomen een vast onderdeel op het boerenerf, vaak in de vorm van enkele bomen en soms als grotere boomgaarden. In de tweede helft van de 17e eeuw staan Zeeland, Brabant en Gelderland te boek als belangrijke fruitproducerende regio’s in Nederland.

Door de tijd heen is ook het verbruik verandert van teelt voor eigen gebruik naar meer productiegerichte teelt, met het doel het fruit te verkopen. In de middeleeuwen at men het fruit uitsluitend gekookt. Verder werd het gedroogd, ingemaakt of tot stroop gekookt om het te kunnen bewaren. Verder werd er vruchtenwijn en azijn van gemaakt. Een voorbeeld van een kleine stroopkokerij is te zien in het Openluchtmuseum in Arnhem.

In de periode vanaf ongeveer 1880 nam het areaal boomgaarden vooral in Zuid-Limburg toe onder invloed van de groeiende verstedelijking in het Ruhr-gebied en Luik-Namen. Het hoogtepunt lag rond 1950, waarna de nadruk kwam te liggen op laagstamboomgaarden.

In de 19e eeuw wordt in het rivierengebied een pas ingeplante hoogstamboomgaard  als bouwland gebruik, daarna als grasland  voor  beweiding en hooi, en soms ook werden tussen de bomen wilgen geplant, om de locatie ook als griend te kunnen gebruiken. Hiermee wordt duidelijk dat het nogal wat geduld vergde totdat de bomen voldoende fruit droegen.

De bomen moesten regelmatig gesnoeid worden. De eerste 4 tot 6 jaar snoei omvat de vormsnoei, waarbij de jonge boom zijn vorm krijgt. De gesteltakken worden gekozen om de boom in een gezonde vorm te krijgen. Dan begint de onderhoudssnoei, waarbij er om de paar jaar gesnoeid wordt om de boom vitaal te houden. Hierbij worden over elkaar schurende takken en waterlot (recht omhoog groeiende takken) verwijdert. Ook moet er genoeg zonlicht in de kruin kunnen komen. De derde vorm snoei omvat de vervangingssnoei, waarbij jonge takken de  plaats van de oudere takken overnemen.

Het plukken van het fruit gebeurde in september en oktober, op hoge ladders werd het fruit geplukt .en in plukschorten of in met stof beklede manden gelegd.

De hoogstamboomgaard fungeert eigenlijk als een open-bos-structuur en biedt huisvesting aan diverse planten en dieren als korstmossen, maretak, vogels en insecten. Hoe minder beheer door de mens, hoe meer ecologische waarde. De oude hoogstamrassen hebben in tegenstelling tot laagstambomen-fruit nauwelijks tot geen bestrijdingsmiddelen nodig. Ook hoeft een hoogstamboom minder vaak gesnoeid te worden. Het dierenleven profiteert vooral van een hoogstamboomgaard in combinatie met oude gebouwen, waar diverse vogels (onder meer uilen) en vleermuizen onderdak vinden.

Liggen er hagen of bosjes aan de rand of in de omgeving van de boomgaard, dan geven die onderdak aan veel dieren als muizen, dassen, konijnen, egels en bunzingen. Stapels hout bieden een schuilplaats aan dieren als de wezel, hermelijn, en steenmarter.

Vogels die graag broeden in de boomgaard zijn bijvoorbeeld de kramsvogel, wielewaal, kleine bonte specht en verschillende soorten uilen.

De het hoogtepunt voor het aantal hoogstamboomgaarden ligt rond 1950. Daarna ging men voor de grootschalige fruitteelt over op laagstamteelt Zo de hoogstamboomgaard behoorde bij het agrarishce gemengde bedrijf, is de laagstamboomgaard meer een gemechaniseerd bedrijf. Veel handelingen kunnen met machines uitgevoerd worden.

Ook de intensivering van de veehouderij heeft bijgedragen aan de verdwijning van de hoogstamboomgaard in het landschap. De meeste boomgaarden in Zuid-Limburg zijn gerooid na 1960, vooral na rooipremies door de Europese Unie. Tegenwoordig is nog maar een klein areaal over.

De herwaardering voor kleine landschapselementen waaronder de hoogstamboomgaard, is tegenwoordig aan het toenemen. In deze tijd is een van de problemen de verdergaande verwaarlozing van de enkele boomgaarden die nog over zijn.

De laatste boomgaarden vertegenwoordigen wel een belangrijke cultuurhistorisch landschapselement.

Dit wordt het best bewaard als de waarding voor de landschappelijke en ecologische waarden gewaarborgd wordt. Het is van belang dat een boomgaard in gebruik blijft, dan blijft hij het beste bewaard en zal hij zich blijven verjongen. Hierbij is het van belang dat er een evenwicht ontstaat tussen het gebruik door de mens en de ongereptheid, zodat planten en dierenleven zich kunnen blijven ontwikkelen.

Burm, P. en Haartsen, A, 2003.: Hoogstamboomgaarden, in: Boerenland als natuur, Verhalen over historisch beheer van kleine landschapselementen. Stichting Matrijs, Utrecht